Vanwaar de naam?

De naam gebrande of verbrande winning roept wel wat vragen op. Er speelde zich inderdaad rond deze hoeve als het ware een episode af uit de tijd der “Bokkerijders”.
Deze Bokkerijders waren eigenlijk dievenbendes die in de 18de eeuw onze streken terroriseerden. Aan het hoofd stonden dikwijls zeer ontwikkelde lieden, die het vuile werk lieten opknappen door arme drommels, die het deden uit miserie en armoede. Wanneer ze bij de bende aansloten was er een geheimzinnig inwijdingsritueel dat op weinig ontwikkelden indruk maakte.

Ze moesten daar de Bokkerijderseed afleggen : “Ik zweer God af en de duivel aan, aan wie ik mijn ziel beloof.” Daarna moesten ze een kruisbeeld met de voeten vertrappelen en de stukken in het vuur werpen. Soms bevond zich daar een heer met een rood kleed aan waarvan men dacht dat het de duivel in hoogst eigen persoon was. De nieuwe leden beloofden hem alles te stelen of in brand te steken wat hen bevolen werd.

“Suske de Poup” en het “Voorvelleken”

Twee arme sukkelaars die de winning van Nijsken Van Den Hove (zie V.D.H. boven het poortje oostgevel) in brand zouden steken en daarvoor met hun leven zouden boeten.

Wie waren zij?

Suske de Poup : 60 jaar. Franciskus Martens zogenoemd naar de bijnaam van zijn 2de vrouw “Poupke”. Op het ogenblik der feiten is hij gehuwd met zijn derde vrouw Anastasia Kaky.

Het Voorvelleken : 70 jaar. Jean Baptiste Petit, timmerman. Hij droeg steeds een klein lederen schortje, vandaar zijn bijnaam.

De brandstichting

Op 15 juli 1784 was het Voorvelleken op bedeltocht. Hij ging ook een aalmoes vragen aan de poort van Nijsken Van Den Hove, maar de zoon van de pachter joeg hem weg met de bedreiging de honden achter hem aan te sturen. Uit wraak besloten Suske de Poup en het Voorvelleken het goed van Nijsken in brand te steken, wat ook gebeurde. Maar de zoon van het Voorvelleken ging zijn vader en de andere daders bij de stadsmagistraat aanklagen. Ze werden gevangen genomen, aan de ‘scherpe examinatie’ onderworpen en uiteindelijk terechtgesteld, levendig verbrand, niet ver van De Gebrande Winning, op de plaats waar nu het Sint-Jozefkerkje staat. Langs de Duifhuisstraat, aan de rand van de weg, staat nog een eenvoudige steen met het volgende opschrift : “1784 8 october werden hier levendig verbrand de genaamden Suske de Poup en het Voorvelleken.”

Uit de documenten van het proces lijkt dat de echte Bokkerijders twee Walen waren waar men nog lange tijd achter gezocht heeft, maar ze waren de dans ontsprongen.

Hendrik Prijs, letterkundige uit Sint-Truiden, beschreef in zijn pakkend boek “Het Zwakke Verzet” de feiten, die we hier summier vertelden.